Gemeenten en zorgaanbieders werken nu nog met verschillende producten, codes en begrippen voor specialistische jeugdzorg. Dat zorgt voor extra administratie en onduidelijkheid. Het landelijke programma Standaardisatie wil daarin verandering brengen met één productstructuur en heldere afspraken.
Jan Jaap Janse (VWS) van het programma Standaardisatie vertelt waarom deze aanpak nodig is, hoe de standaarden samen met de praktijk worden ontwikkeld en wat gemeenten en aanbieders nu al kunnen doen.
Dit artikel is afkomstig van Voor Jeugd & Gezin.

Beeld: © Jan Jaap Janse
Jan Jaap is vijftien jaar voorzitter geweest van de grootste Utrechtse schaakvereniging. Zijn huidige werk vraagt volgens hem om dezelfde componenten: analytisch denken en onderscheid maken tussen het hoofdprobleem en kleinere problemen.
"Elke gemeente maakt nu zijn eigen regels. Die willen we vervangen door één landelijke set. Dan heb je honderden varianten minder."
Jan Jaap: ‘Elke gemeente heeft in de loop van de tijd eigen regels en eisen gemaakt voor specialistische jeugdzorg. Daardoor kunnen dezelfde vormen van hulp verschillende namen hebben en op verschillende manieren worden geregistreerd en gedeclareerd. Het programma Standaardisatie wil die verschillen vervangen door één landelijke set afspraken. Dat scheelt honderden varianten. Gemeenten en aanbieders weten straks beter waar ze aan toe zijn.’
Eén landelijke afspraak
Het programma werkt nu het advies over de nieuwe productstructuur stap voor stap uit. Jan Jaap: ‘Per product wordt bijvoorbeeld vastgelegd voor welke doelgroep het bedoeld is, hoe een aanbieder het declareert en welk opleidingsniveau nodig is. Dat vraagt soms om keuzes. Werkt de ene helft van de gemeenten op manier A en de andere helft op manier B? Dan moet er één landelijke afspraak komen. Dat kan lastig zijn als organisaties al jaren gewend zijn aan hun eigen werkwijze.’
Toch ziet hij tot nu toe vooral begrip: ‘Iedereen weet dat we deze keuzes moeten maken om echt te kunnen vereenvoudigen.’
Samen ontwikkelen
De standaarden worden niet in Den Haag bedacht. ‘De eerste belangrijke stap is dat we hebben afgesproken om het samen te doen. Als wij in Den Haag standaarden bedenken zonder de gebruikers, gaat niemand ze gebruiken. Wij maken het raamwerk, maar de inhoud moet herkenbaar en bruikbaar zijn voor de mensen die ermee gaan werken. Daarom ontwikkelen we ze met gemeenten, aanbieders en andere deskundigen. Zij kennen de praktijk en weten waar regels tot problemen kunnen leiden’, aldus Jan Jaap.
Alleen dezelfde producten gebruiken is niet genoeg. Bij ieder product horen ook vaste definities en registratieregels. Jan Jaap: ‘Zo moet iedereen bijvoorbeeld hetzelfde verstaan onder reistijd. Daarnaast hebben organisaties uitleg en begeleiding nodig. Wanneer verandert een begrip? Wanneer moet een gemeente overstappen? En waar kan een aanbieder terecht met vragen?’
Het programmateam doet dit samen met onder meer de VNG en de koepels van aanbieders. Via webinars, bijeenkomsten en de Week van de Standaarden nemen we mensen mee in de veranderingen.’
Standaard waar het kan
Een landelijke standaard betekent niet dat ieder kind straks dezelfde hulp krijgt. Jan Jaap: ‘Elke zorgvraag en elke regio is anders. Daarom bestaat de productstructuur uit kleine onderdelen die met elkaar kunnen worden gecombineerd.’
Hij vergelijkt het met lego: ‘Soms zijn veel steentjes nodig, soms maar een paar. De standaard gaat over de taal en administratie aan de achterkant. De jeugdprofessional blijft bepalen welke hulp passend is en wat er tijdens een behandeling of begeleiding gebeurt.’
Gebruik vanaf 2029
Jan Jaap: ‘We denken begin 2028 alles ontwikkeld te hebben. Dan staat het op papier, maar kan de praktijk er nog niet meteen mee werken. Tegelijkertijd overleggen we met softwareleveranciers over verwerking in hun systemen en met juristen over bestaande, langlopende contracten tussen gemeenten en aanbieders.
We mikken erop dat partijen de standaarden in 2029 kunnen gebruiken, maar daar zitten meer onzekerheden in. Dat tijdpad is kortom nog niet helemaal zeker.’
"Begin 2028 hebben we naar verwachting alles ontwikkeld. Dan staat het op papier. We mikken erop dat partijen er in 2029 mee kunnen werken."
De afspraken worden bovendien veel minder vrijblijvend dan de huidige handreikingen. Er is daarom een partij nodig die de standaarden beheert, onderhoudt en toezicht houdt op het gebruik. Jan Jaap: ‘Gemeenten en aanbieders zien daar ook een voordeel in. Als dezelfde regels voor iedereen gelden, ontstaat minder discussie over uitzonderingen. Wel moet nog worden bepaald hoeveel ruimte de regels precies bieden.’
Jan Jaap roept gemeenten en aanbieders op de ontwikkelingen te volgen en mee te praten. Jan Jaap: ‘Dat kan via werkgroepen, referentiesessies, webinars en bijeenkomsten. Tijdens de Week van de Standaarden van 9 tot en met 13 november geeft het programma meer uitleg. Op maandag 9 november staat een digitaal overzicht van het hele programma gepland.’
Tips van Jan Jaap
- Blijf op de hoogte en doe mee.
Praat mee in een werkgroep of referentiesessie. Volg ook nieuwsbrieven, webinars en bijeenkomsten.
- Start nu geen grote nieuwe systemen.
Maak geen compleet nieuw productboek en koop geen duur dashboard dat straks niet bij de landelijke werkwijze past.
- Gebruik wat er al is.
Werk met bestaande hulpmiddelen, zoals contractstandaarden en standaard administratieprotocollen. Zo bereid je je organisatie al voor op de nieuwe situatie.